Muren drogen zonder schade: wat werkt op de werf?
De droging van muren vraagt tijd en een doordachte aanpak. Als je te snel afwerkt, dan riskeer je zoutschade en loskomende afwerkingen. Omdat je het vochtgehalte niet visueel kan inschatten, moet je gericht meten en de juiste droogtechnieken toepassen, zoals ventilatie, luchtontvochtiging of gecontroleerde verwarming. Moet je toch vroeger afwerken, kies dan voor dampopen systemen of saneerpleisters die verdere droging toelaten.
Een traag en complex proces
De droging van muren verloopt traag. Dat komt vooral door de vaak grote hoeveelheden vocht die in het metselwerk aanwezig zijn, zoals bouwvocht of vocht afkomstig van een externe bron. Bij opstijgend grondvocht gaat het bijvoorbeeld om tientallen liters water per lopende meter.
Als praktische vuistregel moet je voor een metselwerkmuur van ongeveer 30 cm dik rekenen op een droogtijd van vier tot twaalf maanden. Preciezere voorspellingen zijn moeilijk, omdat zowel de gebruikte bouwmaterialen als de drogingsomstandigheden op de werf sterk kunnen verschillen.
Het droogproces verloopt meestal in twee fases:
- in de eerste fase ziet de muur er nog vochtig uit en droogt hij relatief snel
- In de tweede fase oogt het materiaal droog, maar verloopt de droging traag en moeten grote hoeveelheden vocht, die niet zichtbaar zijn aan het oppervlak, nog verdampen.
Een visuele opvolging van het drogingsproces is dus onbetrouwbaar. Je opteert daarom best voor een indicatieve meting met een elektrische vochtmeter of een exacte meting met een carbidefles of door weging van boorstalen (zie TV 252).
Praktische aanbevelingen voor een efficiënt droogproces
In de eerste plaats is het aangewezen om, waar mogelijk, drogingsremmende materialen te verwijderen. Zouten in het metselwerk vormen een belangrijke rem voor de droging, maar deze zijn moeilijk te verwijderen.
Als de afwerkingen niet behouden moeten worden, bijvoorbeeld om erfgoedredenen, dan kan de verwijdering van verflagen, behang, betegelingen, cementeringen of voorzetwanden het droogproces aanzienlijk versnellen. Bij zeer vochtige gebouwen, bijvoorbeeld na een overstroming, is dit sterk aangeraden (zie Buildwise-artikel 2021/05.03).
Om de droging van muren te stimuleren, kan je een aantal hulpmiddelen inzetten:
- ventilatie: voert waterdamp af naar buiten en bevordert de droging van de muren
- luchtontvochtiging: verwijdert waterdamp uit de lucht en werkt onafhankelijk van ventilatie
- verwarming: het sterk opwarmen van het gebouw kan de droogsnelheid aanzienlijk verhogen.
Tabel A Overzicht van droogtechnieken.
Tabel A geeft een overzicht van de verschillende droogtechnieken en hun technische kenmerken. Hou er rekening mee dat droging vaak gepaard gaat met zoutschade. De ernst daarvan hangt sterk samen met de gekozen droogmethode.
Afwerking van muren die nog niet volledig droog zijn
Voor de afwerking van metselwerk geldt een maximaal toelaatbaar vochtgehalte van 3 massapercent (zie TV 252). In de praktijk lukt het echter niet altijd om te wachten tot dit niveau bereikt is. Je kan een nog vochtige muur toch afwerken, op voorwaarde dat het resterende vocht niet opgesloten wordt.
Het aanbrengen van systemen zoals membranen, halfstijve noppenplaten, cementeringen, betegelingen of voorzetwanden is dan alleen toegelaten wanneer het vocht nog langs de andere zijde van de muur kan verdampen. In die gevallen zal de droogtijd onvermijdelijk meer dan verdubbelen doordat de drogingscapaciteit van de muur halveert.
Saneerpleisters als specifieke oplossing
Een andere oplossing bestaat erin om vochtbestendige muurafwerkingen toe te passen die verdere droging toelaten, zoals kalkpleisters of waterdampopen verven. Deze aanpak brengt echter een verhoogd risico op zoutuitbloei met zich mee, wat de muurafwerking alsnog kan beschadigen.
In de praktijk kan je dit probleem beheersen door het gebruik van saneerpleisters, ook wel zoutbergende pleisters genoemd. Dit zijn kalkgebonden pleisters met een open poriënstructuur die de onderliggende muur laten drogen en tegelijk een zekere hoeveelheid zoutkristallisatie opvangen. Het zoutbufferende vermogen blijft beperkt, al ligt het een stuk hoger dan bij klassieke pleisters.
Je brengt saneerpleisters dus best pas aan als de muur al deels heeft kunnen uitdrogen. Zo verminder je het zouttransport vanuit de muur naar het pleister en verhoog je de duurzaamheid ervan.
Samenvatting van een artikel, verschenen op de pagina’ 6-7 van het Buildwise Magazine maart-april 2026. Enkel de originele tekst, opgesteld in het kader van het S-MonHuMa-project, gesubsidieerd door Innoviris, geldt als referentie.