Vloerbetegelingen: focus op de mortelvoegen
Bij de keuze van een vloerbetegeling kijkt de klant vooral naar de tegels zelf: het uitzicht, het formaat en de kwaliteit. De mortelvoegen daarentegen wil hij vaak zo smal mogelijk houden om de tegels meer tot hun recht te laten komen. Toch spelen deze voegen een belangrijke rol in de betegeling: je moet ze correct uitvoeren om tot een performant en mooi resultaat te komen.
Classificatie van voegmortels
De norm NBN EN 13888-1 deelt voegmortels voor keramische tegels in op basis van hun bindmiddel en eigenschappen:
- CG (cementitious grout): cementgebonden voegmortels. Deze worden nog verder onderverdeeld volgens de criteria waaraan ze voldoen:
o F (fast): snellere sterkteontwikkeling (≥ 7,5 N/mm² binnen 6 uur)
– CG2: cementgebonden voegmortels die ook een aantal bijkomende prestaties leveren:o W (water absorption): beperkte waterabsorptie
o W (water absorption): beperkte waterabsorptie
o A (abrasion): verhoogde slijtweerstand
- RG (resin grout): harsgebonden voegmortels.
Sommige voegmortels zijn iets elastischer. Fabrikanten mogen dat aangeven, maar de norm legt hiervoor geen eisen vast. Mortelvoegen kunnen echter nooit bewegingsvoegen vervangen.
In de praktijk gebruik je meestal cementgebonden voegen. Harsgebonden voegen kies je vooral wanneer de voegen een grotere chemische weerstand nodig hebben (zie ook Buildwise-artikel 2008/03.07).
Ook voor natuursteentegels pas je gelijkaardige voegmortels toe. Vraag wel altijd na bij de fabrikant of de mortel geen vlekken veroorzaakt in de natuursteen.
Opnemen van tegelafwijkingen
De mortelvoegen in een betegeling nemen de dimensionale afwijkingen van de tegels op. Tegels zonder voegen plaatsen is dus geen optie.
Keramische tegels groter dan 30 cm x 30 cm mogen volgens de norm NBN EN 14411 een maatafwijking hebben van 2 mm. Tegelfabrikanten geven voor hun tegels echter vaak aan dat ze voldoen aan strengere eisen (bv. bij gerectificeerde tegels).
Voor natuursteentegels geeft de norm NBN EN 12058 een maattolerantie van 1 mm op voor tegels tot 60 cm en 1,5 mm voor grotere tegels.
Bij de keuze van de breedte van de mortelvoegen moet je rekening houden met de maattoleranties die de fabrikant opgeeft. De nominale voegbreedte mag nooit kleiner zijn dan tweemaal de maattolerantie aangegeven in de technische fiche van de tegels (keramische tegels) of in de norm (natuursteentegels). Controleer bij de keuze van de voegmortel dat deze geschikt is voor die breedte.
De plaatsingstolerantie op de voegbreedte bedraagt 1 mm voor keramische tegels (zie TV 237) en 0,5 mm voor natuursteentegels (zie Buildwise-artikel 2025/06.04) ten opzichte van de nominale voegbreedte, te vermeerderen met de reële dimensionale afwijking van de tegel.
Bij natuursteen met onregelmatige randen (bv. leisteen, getrommelde of gekloven tegels) werk je best met bredere voegen. De variatie in de voegbreedte zal in dat geval onvermijdelijk groter zijn.
Aanbrengen van de voegmortel
Bij het aanmaken van de voegmortel moet je het water en eventuele andere toevoegingen (bv. latex) correct doseren en het geheel goed mengen volgens de instructies van de fabrikant.
Het is belangrijk dat je de voegen over de volledige diepte opvult: tot net onder (tot 1 mm) het tegeloppervlak of tot aan de onderzijde van de randen bij tegels met afgeschuinde randen (zie afbeelding 1).
Na het drogen krijgen de voegen vaak een licht holle vorm. Dat is meer uitgesproken wanneer de voegmortel iets vochtiger is bij de plaatsing of wanneer het afsponzen te vochtig of te intensief gebeurt. Je moet erop toezien dat de uitholling gemiddeld niet groter is dan de helft van de voegbreedte, met een maximum van 1,5 mm (zie afbeelding 1).
Om de gemiddelde voegdiepte te kunnen beoordelen, moet je meerdere metingen doen (bv. 10 metingen per 10 m²) op willekeurige plaatsen. Wanneer de tegels afgeschuinde randen hebben en je de voegdiepte meet vanaf het tegeloppervlak, moet je de hoogte van de afgeschuinde rand aftrekken van de gemeten voegdiepte.
Afb. 1 Maattoleranties van de mortelvoegen voor tegels zonder en met afgeschuinde randen.
Uitzicht van de mortelvoegen
Streef naar een uniform uitzicht, maar hou er rekening mee dat lichte kleurverschillen niet volledig uit te sluiten zijn. Verschillende factoren, die je niet altijd volledig in de hand hebt, kunnen immers een rol spelen in de kleur van de voegen (zie TV 237). Ook verschillen in het vochtgehalte van de voegmortel (niet-homogene droging, differentieel aanvangsvochtgehalte van de ondergrond …) kunnen leiden tot lokale kleurverschillen. Beoordeel het uitzicht van de voegen dus pas wanneer ze volledig droog zijn.
Ook kleine putjes aan het oppervlak van de voegen zijn niet te vermijden. Die ontstaan meestal door het openklappen van kleine luchtbelletjes net onder het oppervlak. Door de mortel correct te mengen en zorgvuldig te voegen volgens de richtlijnen van de fabrikant, kan je ze wel tot een minimum beperken.
Samenvatting van een artikel, verschenen op de pagina’s 8-9 van het Buildwise Magazine juni 2026. Enkele de originele tekst, opgesteld in het kader van de Normen-Antenne ‘Afwerkingen’, gesubsidieerd door het NBN, geldt als referentie.