Driemaal is scheepsrecht bij Bouwunie “Een gezonde bouwsector heeft zowel grote bedrijven als lokaal verankerde kmo’s nodig”
Door het plotse en onverwachte overlijden van Jean-Pierre Waeytens moest Bouwunie het jaar met een stevige uitdaging starten. De continuïteit van de sectororganisatie garanderen, werd een topprioriteit waar drie oudgedienden zich achter schaarden. Hilde Masschelein nam ad interim opnieuw haar vroegere rol van gedelegeerd bestuurder op, met directeur studiedienst Twain De Hondt en commercieel directeur Jo Kusseneers als vaste steunpilaren. Wat begon als een noodoplossing, groeide uit tot een verrassend sterk managementteam. Zo sterk zelfs dat de Raad van Bestuur besliste om met deze formule verder te gaan. Drie mensen, één visie, en vooral: één duidelijke ambitie voor de toekomst van de bouwsector.
Bouwkroniek: Na het overlijden van Jean-Pierre hebben jullie er bewust voor gekozen om met drie de leiding van Bouwunie te nemen. Waarom was dat voor jullie de juiste keuze? En wie wordt nu het ‘gezicht’ van Bouwunie?
Hilde Masschelein: “Ik ben van 2005 tot 2018 al gedelegeerd bestuurder van Bouwunie geweest. Na het overlijden van Jean-Pierre moesten we uiteraard op zoek naar een nieuwe invulling van die functie. In afwachting daarvan heeft de Algemene Vergadering mij in januari gevraagd om de rol ad interim op te nemen. Dat deed ik met veel plezier, maar in samenspraak met het bestuursorgaan besliste ik meteen om de rollen te verdelen. Omdat ik ervan overtuigd was dat we als managementteam elkaar perfect konden aanvullen. Sindsdien neemt Twain de belangenbehartiging en de syndicale werking voor zijn rekening, en treedt hij ook meer naar voren in de contacten met de pers. Jo focust zich op ledenwerving, sponsoring, marketing en aanverwanten. Mijn rol is vooral om het overzicht te bewaren, de verschillende domeinen op elkaar af te stemmen en de eindverantwoordelijkheid tegenover het bestuursorgaan en de voorzitter te nemen. Het was een noodoplossing die echter perfect bleek te werken. In die mate dat het bestuursorgaan zich de vraag begon te stellen of iemand nieuw aantrekken wel een toegevoegde waarde zou hebben. Aangezien we alle drie al heel lang voor Bouwunie werken, kennen we zowel de organisatie als de markt door en door. Waarop het bestuursorgaan besliste om het managementtrio officieel te benoemen. Zelf ben ik voor alle duidelijkheid als gedelegeerd bestuurder benoemd voor twee jaar.”
Bouwkroniek: Waarom kreeg deze formule uw persoonlijke voorkeur?
Hilde Masschelein: “Intussen heb ik al heel wat jaren op de teller staan. Om de continuïteit van Bouwunie te garanderen, is het doorgeven van mijn kennis volgens mij prioritair. Ik wil vooral de jongere mensen op de toekomst voorbereiden. Dit is enkel mogelijk door niet alles zelf te doen, wel door mijn kennis en ervaring ter beschikking van de jongere generatie te stellen.”
Bouwkroniek: Voorzien jullie grote veranderingen binnen Bouwunie?
Twain De Hondt: “Fundamenteel zal er niks veranderen. Bouwunie bestaat al sinds 1958 en de strategische lijnen zijn altijd bepaald door de ondernemers die in onze bestuursorganen zetelen. Als managementteam moeten we hun stem vertolken en hun standpunten naar een praktische ondersteuning voor de sector vertalen.”
Jo Kusseneers: “Logischerwijze zijn accentverschuivingen mogelijk, maar dat zal het gevolg zijn van wat er in de sector leeft. Bouwunie draait niet rond één persoon of het managementteam, wel rond de belangen van onze leden. De manier waarop de sectororganisatie haar standpunten bepaalt en naar buiten brengt, blijft dezelfde. Alleen de invulling van de leiding is momenteel wat atypisch: drie mensen, elk met een eigen verantwoordelijkheid, maar samen verantwoordelijk voor de toekomst van de organisatie.”
Als jullie een ontwikkeling mogen noemen die de Belgische bouwsector de komende vijf jaar fundamenteel zal veranderen, welke is dat dan?
Jo Kusseneers: “Voor mij is dat zonder twijfel de opkomst van nieuwe technologieën en artificiële intelligentie. Zowel grote als kleine bouwbedrijven kunnen er enorm veel tijd mee winnen, bijvoorbeeld om administratieve processen te vereenvoudigen en te automatiseren. Uit een bevraging van Bouwunie bleek dat 42% van de bouwbedrijven vandaag al heil in AI ziet. Dat aandeel zal volgens mij alleen maar toenemen. AI zal op steeds meer vlakken worden ingezet: van communicatie met klanten en het beheren/opmaken van offertes of bestekken, tot sociale media en de eigen administratie. We kennen vandaag al bedrijven die AI gebruiken om dossiers te verwerken. Of neem een werfleider die op de werf plots niet meer weet welke materialen hij moet bestellen en dat via een AI-tool kan opzoeken. In dit kader hopen we dat Tooli, het gezamenlijke initiatief van de sector, snel zijn weg naar de markt vindt en de bedrijven effectief toegevoegde waarde biedt. In elk geval zijn de mogelijkheden van AI enorm en benutten we vandaag nog maar een fractie van het potentieel.” Daarnaast verwacht ik een sterke opmars van robots. Ik ben ervan overtuigd dat die binnen vijf tot tien jaar manifest op de werven en werkvloeren aanwezig zullen zijn. Ook daar nemen de toepassingsmogelijkheden met de dag toe. Kijk maar wat er vandaag in China wordt ontwikkeld. De technologie evolueert echt wel razendsnel. Robots bieden volgens mij een mooi antwoord op het schrijnende personeelstekort in onze sector. Zelfs in België beginnen bedrijven de mogelijkheden te exploreren. Denk maar aan Wally, de robot die metselwerk kan uitvoeren.”
Twain De Hondt: “Het mooie is dat de technologie niet enkel voor grote bouwbedrijven bereikbaar is. Ook kmo’s investeren in robotisering. Zo zijn er bijvoorbeeld afwerkingsbedrijven die robots inzetten voor het pleisteren van muren of het uitvoeren van chapewerken. Als dergelijke investeringen rendabel blijken, zullen andere ondernemingen snel volgen. De vraag is vooral hoever die evolutie zal gaan, we moeten daar toch realistisch in blijven. Tegelijkertijd mogen de bouwactoren de trein niet missen. Door het tekort aan technische profielen wordt technologie eerder een noodzaak dan een keuzemogelijkheid. De laatste vijf jaar is het aantal arbeidskrachten in onze sector met meer dan 10.000 afgenomen en ik vrees dat het tij niet meer te keren valt. Daarom is het belangrijk dat bouwbedrijven de ontwikkelingen van nabij opvolgen en zich goed informeren. Niet elke technologie zal voor elke onderneming relevant zijn, maar wie vandaag niet kijkt naar wat er morgen mogelijk wordt, loopt het risico om de aansluiting te missen.”
Bouwkroniek: Waarom verliest de bouwsector zoveel arbeidskrachten?
Twain De Hondt: “Een van de mogelijke verklaringen is het negatieve imago van de sector. De bouw wordt nog te vaak geassocieerd met zwaar, vuil en fysiek werk, terwijl dat beeld eigenlijk niet meer klopt. We zullen nooit pretenderen dat het fysiek niks van de arbeiders vergt. Maar intussen heeft de sector al ontzettend veel geïnvesteerd in oplossingen die de belasting verminderen en de veiligheid verhogen. Denk maar aan kranen, aangepaste machines, computergestuurde toepassingen…. Bovendien is de sector volop op innovatie en digitalisering aan het inzetten, waardoor de nood aan andere profielen sterk toeneemt. Het is dus bijzonder jammer dat niet meer mensen hun weg naar de bouw vinden. Want het is een sector waar mensen echte voldoening uithalen: ze kunnen letterlijk zeggen “kijk, dat heb ik mee helpen bouwen”. Bovendien scoort de bouw goed op het vlak van verloning en is ze ook bijzonder efficiënt georganiseerd, onder meer met een sectorfonds. Er zijn dus zeker argumenten genoeg om voor de bouw te kiezen.”
Hilde Masschelein: “Toch kiezen te weinig jongeren voor studierichting in de bouw. Dat heeft dus vooral te maken met het negatieve beeld dat de maatschappij over handenarbeid heeft. Ouders spelen daar een belangrijke rol in: vaak zien ze hun kinderen liever voor een carrière in een kantooromgeving kiezen. We moeten dus vooral deze mensen overtuigen dat een beroep in de bouw een mooie en bewuste studiekeuze kan zijn, en geen alternatief voor wie niet in andere studierichtingen slaagt. Helaas is dit geen evidente uitdaging en blijft de sector ondertussen ontzettend veel moeilijkheden ondervinden om voldoende werkkrachten te vinden. Daarom doen ze ook steeds vaker een beroep op buitenlandse werkkrachten. Twintig jaar geleden was dat nog een gevoelig thema. Toen Bouwunie daar een seminarie over organiseerde, kregen we behoorlijk wat kritiek. Vandaag vindt vrijwel niemand het nog vreemd om met buitenlandse arbeidskrachten te werken. Dat illustreert hoe snel een sector kan veranderen wanneer de nood hoog genoeg is. Maar deze oplossing zal het structurele tekort aan menskracht niet oplossen. We zullen ook de instroom vanuit het onderwijs moeten verhogen én het imago van technische beroepen fundamenteel dienen te verbeteren.”
Bouwkroniek: Wat wordt volgens jullie vandaag zwaar onderschat in de bouwsector?
Hilde Masschelein: “De politici, gewone burger en startende ondernemers onderschatten vooral hoe complex het voor een bouwbedrijf is geworden om vandaag gewoon zijn werk te doen. Het aantal administratieve verplichtingen neemt alsmaar toe: het is een evolutie die gewoonweg niet stopt. Als gevolg daarvan hebben bouwbedrijven intussen extra personeel nodig die deze taken op zich nemen. Zelfstandigen en kleine kmo’s verzwelgen in de papiermolen, terwijl ze liever hun vakmanschap zouden uitoefenen. Ik heb het gevoel dat de politiek nieuwe regels invoert zonder voldoende bij de consequenties voor de bedrijven stil te staan. Een regel erbij is snel beslist, maar een regel opnieuw afschaffen blijkt bijzonder moeilijk.”
Twain De Hondt: “De administratieve rompslomp wordt inderdaad sterk onderschat. Kijk bijvoorbeeld naar wat er gebeurt na een calamiteit. Na een brand of een andere bouwramp komen er altijd regels en voorschriften bij. Met goede bedoelingen, waardoor elke bijkomende verplichting op zich redelijk en geoorloofd lijkt. Het probleem zit echter in de opeenstapeling van regels. Een groot bouwbedrijf kan dat nog enigszins opvangen, maar voor kmo’s is dit echt een groot probleem. De praktijk wijst uit dat het quasi niet meer mogelijk is om aan alle verplichtingen te voldoen, hoe hard je als bedrijf ook je best doet.”
Jo Kusseneers: “Een andere ontwikkeling waarvan we omgekeerd misschien te veel verwachten, is duurzaamheid. De bouwsector is daar zeker mee bezig en er zijn prachtige innovatieve projecten en materialen, maar veel daarvan bevinden zich voorlopig nog in nichemarkten. We verwachten niet dat bouwbedrijven op eigen initiatief massaal de markt zullen transformeren. Zij bouwen wat de klant vraagt en wat in het lastenboek staat. De overheid zal daar zijn rol moeten opnemen. Kijk naar energiezuinig bouwen: dit kwam pas in een stroomversnelling toen het E-peil werd verplicht.”
Hilde Masschelein: “We mogen dus niet verwachten dat de aannemers alleen de volledige verduurzaming van de bouwsector gaat dragen. Zij zijn uiteindelijk puur een uitvoerder: als duurzaamheid niet wordt gevraagd of als de bouwheer de meerkost niet wil dragen, dan is het voor een aannemer bijzonder moeilijk om die oplossingen op eigen initiatief in de markt te zetten. Vooral prijs is vandaag nog een belangrijke barrière: de meeste bouwheren kijken nog steeds vooral naar hun portemonnee.”
Bouwkroniek: Wat zijn de grootste uitdagingen vandaag en op termijn?
Twain De Hondt: “In de voorbije zes jaar hebben we drie grote crisissen meegemaakt: covid, de oorlog in Oekraïne en nu is er het conflict in het Midden-Oosten. Dat heeft een enorme impact gehad op de prijzen en de betaalbaarheid van bouwen, waardoor projecten worden uitgesteld en heel wat aannemers moeite hebben om hun orderboeken te vullen. Als resultaat neemt het aantal faillissementen toe. Misschien hebben we het ergste achter de rug, want in onze recente Bouw- en conjunctuurbarometer zien we toch enkele lichtpuntjes. Weliswaar is er nog geen sprake van een hoerastemming, integendeel, de economische situatie blijft broos. We hopen dat de sector stilaan uit het slop raakt, maar daarvoor is ook de steun van de politiek nodig. Een van onze belangrijkste vragen is om de nieuwbouw opnieuw op gang te trekken. Een verlaging van het btw-tarief naar 12% zou volgens ons al een belangrijke stimulans kunnen zijn.”
Jo Kusseneers: “Op langere termijn is er voor de sector werk genoeg, zeker als we de klimaatdoelstellingen van 2050 willen halen. De vraag is alleen wie die renovatiewerken zal betalen: zowel overheden als particulieren moeten over voldoende middelen beschikken om die investeringen te dragen. De stijgende rente helpt daar momenteel niet bij. En zelfs als het geld er is, moeten we nog voldoende mensen vinden om al die renovaties uit te voeren.”
Bouwkroniek: Is de kans reëel dat de bouwsector op termijn de vraag voor renovaties niet zal kunnen bijbenen?
Hilde Masschelein: “Onze sector is enorm flexibel en vindt altijd oplossingen om op de vragen van de markt in te spelen. Tenzij iedereen wacht tot 2048 om de renovaties door te voeren, want dan wordt het wel een probleem om alles klaar te krijgen. Zoals al aangegeven, verwacht de bouw veel heil van digitalisering en robotisering. Efficiënter werken, staat met stip op nummer 1 op het verlanglijstje van de aannemer. Weliswaar zullen werknemers en zelfstandigen nieuwe technieken moeten leren en hun competenties aanpassen. Dat is niet nieuw: een installateur die vroeger vooral met klassieke verwarmingssystemen werkte, moet nu ook warmtepompen kunnen plaatsen. Of denk maar aan de trend naar energiezuinige woningen die andere technieken vraagt: veel bouwbedrijven hebben zich die snel eigen gemaakt.”
![]()
We mogen niet verwachten dat de aannemers alleen de volledige verduurzaming van de bouwsector gaat dragen.”
Bouwkroniek: Hoe gezond is de Belgische bouwsector vandaag?
Twain De Hondt: “Ik denk dat de vele faillissementen van de voorbije jaren het kaf wel van het koren hebben gescheiden. Wie is overgebleven, heeft gemiddeld sterkere financiële fundamenten en is goed gestructureerd. Wat we wel merken, is dat het moeilijker wordt voor starters om hun bedrijf gezond te laten groeien.”
Hilde Masschelein: “Door de afschaffing van de vestigingswetgeving en de versoepeling van de vennootschapswetgeving is het gemakkelijker geworden om een bedrijf op te starten. Dat kan het ondernemerschap misschien wel stimuleren, maar in de bouw ligt het allemaal wat moeilijker. Zo vrees ik dat veel starters zich mispakken aan de administratieve complexiteit binnen onze sector. Ook het feit dat er geen startkapitaal meer nodig is, is bij ons nefast: wie een bouwbedrijf wil opstarten, moet voldoende eigen vermogen en een bepaalde solvabiliteit hebben. Zeker omdat je vaak grote bedragen moet voorfinancieren en klanten niet altijd onmiddellijk betalen.”
Jo Kusseneers: “We merken bij onze leden in elk geval een groeiende aandacht voor financieel beheer. Ze willen beter leren omgaan met hun marges, hun kostprijs correct berekenen en efficiënter werken. Opleidingen rond die thema’s zitten bij Bouwunie bijzonder snel vol, wat aantoont dat er een grote behoefte aan is. Het is ook iets waar we als organisatie sterk op inzetten. Zeker kleinere bouwbedrijven zijn vaak vanuit hun passie gestart. Ze zijn uitstekende vakmensen, maar ondernemer zijn is nog iets anders. Je moet leren wat een werk werkelijk kost, welke marge je nodig hebt en hoe je financieel gezond blijft. Veel kmo’s werken daarvoor samen met een externe boekhouder. Dat is uiteraard nuttig, maar je mag niet verwachten dat een boekhouder de rol van bouwondernemer overneemt. Goed vakmanschap volstaat niet langer. Wie vandaag een bouwbedrijf wil runnen, moet naast vakman ook ondernemer zijn.”
Bouwkroniek: Hoe ziet de bouwsector er anno 2030 uit?
Jo Kusseneers: “Ik zie de bouwsector in twee richtingen evolueren. Enerzijds zullen we wellicht een verdere schaalvergroting zien. Grote bouwbedrijven nemen vandaag al kleinere ondernemingen over, onder meer om mensen en knowhow binnen te halen en hun activiteiten en risico’s te spreiden. Die beweging zal volgens mij nog toenemen. Anderzijds zal er altijd behoefte blijven aan de lokale vakman. Niet elke opdracht leent zich voor uitvoering door een groot bouwbedrijf. Een lokale ondernemer die zijn vak kent, snel kan schakelen en ter plaatse oplossingen kan bedenken, heeft een belangrijke troef in handen. Ook specialisatie zal daarin een steeds grotere rol spelen.”
Twain De Hondt: “We verwachten inderdaad meer concentratie en grotere bedrijven, maar de kleine ondernemingen zullen zeker niet verdwijnen, integendeel. De vraag is vooral hoe we ervoor zorgen dat kleine bedrijven met potentieel kunnen doorgroeien naar gezonde kmo’s. Daar ligt een belangrijke rol voor Bouwunie. Een zelfstandige zonder personeel kan zijn bedrijf relatief eenvoudig organiseren. Maar zodra je doorgroeit naar tien, twintig of dertig medewerkers, verandert de situatie volledig. Dan krijg je te maken met een veel grotere administratieve en organisatorische complexiteit. We willen ondernemers – dat dat wensen -helpen om te groeien naar gemiddelde kmo-grootte. Want een gezonde bouwsector heeft niet alleen grote bedrijven nodig, maar ook een sterke laag van gespecialiseerde en lokaal verankerde kmo’s. Die diversiteit is net een van de sterktes van onze sector.”
Bouwkroniek: Kunnen kleine bouwbedrijven voldoende mee met de technologische evolutie, of dreigt er een kloof te ontstaan tussen grote en kleine ondernemingen?
Jo Kusseneers: “Ik denk dat het in de eerste plaats afhangt van de zaakvoerder, en minder van de grootte van het bedrijf. Er zijn echter nog verschillende drempels. Het financiële aspect speelt uiteraard een rol, want sommige technologieën en software zijn behoorlijk duur. Daarnaast is er een enorm aanbod op de markt, waardoor het voor een kleine ondernemer niet altijd eenvoudig is om te weten wat relevant is voor zijn bedrijf. Ook een gebrek aan informatie en kennis kan een rem vormen. Maar er zijn zeker systemen die betaalbaar zijn voor kmo’s. Het komt dus neer op de bereidheid van de zaakvoerder om ermee aan de slag te gaan. We zien vandaag al kleine ondernemingen die daarin heel ver gaan. Neem bijvoorbeeld een jonge ondernemer die bij de opstart meteen beslist om zijn bedrijf maximaal te digitaliseren. Die kan met een relatief klein team een zeer efficiënte organisatie uitbouwen, met toepassingen en apps die je vroeger alleen bij grote bedrijven zag.”
Twain De Hondt: “De omvang van een bedrijf is inderdaad niet doorslaggevend. Je ziet grote bedrijven die sterk op digitalisering inzetten, maar evengoed kleine ondernemingen die heel innovatief uit de hoek komen. Veel hangt af van de visie van de ondernemer. Ik verwacht trouwens dat de nieuwe generatie een belangrijke rol in de transitie zal spelen. Jongere zaakvoerders zijn met digitale technologie opgegroeid en staan er vanzelfsprekender voor open. Daardoor kan de technologische kloof tussen grote en kleine bedrijven kleiner worden, op voorwaarde dat ondernemers de mogelijkheden leren kennen en durven investeren. De uitdaging is dus niet zozeer of kleine bouwbedrijven kunnen mee. Dat kunnen ze. De vraag is vooral of ze de juiste keuzes kunnen maken uit het enorme aanbod aan technologie dat op ze afkomt.”